Ze ging weg als decaan en keerde terug als eerste vrouwelijke rector magnificus van de TU Delft: Hester Bijl behoort sinds januari dit jaar tot het driekoppige collegebestuur. Journalistiek platform Delta interviewde haar over haar tijd in Leiden, haar visie op de TU Delft én haar nominatie als Topvrouw van het Jaar. “Ik had een sterke moeder en oma als voorbeeld.”

“Ze steekt altijd haar hand als eerste uit zodat er gepraat kan worden.” Zo typeerde Leidse hoogleraar Remco Breuker Hester Bijl toen in juli vorig jaar bekend werd dat ze vroegtijdig stopte als rector magnificus van de Universiteit Leiden.
De reden voor haar vertrek: ze was geheadhunt als de nieuwe – en eerste vrouwelijke – rector magnificus van de TU Delft. Een kans die ze niet aan zich voorbij kon laten gaan, aldus Bijl in het persbericht dat haar wissel aankondigde.
Inmiddels loopt ze alweer vijf maanden rond op de campus, waar ze studeerde, promoveerde, het hoogleraarschap op zich nam én als decaan aan het hoofd stond van de faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek.
Hoe is het om hier weer rond te lopen?
“Echt heel gaaf. Er zijn twee dingen veranderd sinds ik hier voor het laatst was. Ik heb een andere positie en het is hier nog bruisender en vernieuwender dan ik mij herinner. Er lijken nog meer labs en nog meer studenten te zijn. Achter elke deur die ik opendoe, is iemand met een tof ontwerp bezig.”
Zijn er nog andere dingen nieuw voor je? En wat herken je juist?
“Het onderwijsprogramma heeft een paar nieuwe elementen, maar is eigenlijk best stabiel gebleven. En in het team decanen zie ik deels nieuwe gezichten, maar ook mensen die er al wat langer zitten. Wat nieuw is, is dat ik veel meer nationaliteiten tegenkom en dat sociale veiligheid expliciet een grotere rol speelt.”
Van 2021 tot en met 2026 bestuurde je de universiteit Leiden, eerst als vice-rector en daarna als rector. Welk leermoment uit jouw Leidse tijd is je bijgebleven?
“Ik denk toch wat er loskwam na de Hamas-aanval van 7 oktober 2023. In het begin was iedereen stil en dacht: ‘dit is zo’n gevoelig onderwerp, wat moeten we er mee?’ Maar dan ontploft het op een gegeven moment.
Ik heb daardoor geleerd dat het belangrijk is om, ook als het moeilijk is, te proberen met elkaar in gesprek te blijven. Dus niet alleen het college van bestuur met bepaalde groepen, maar ook om in de universitaire gemeenschap een dialoog gaande te houden, óók als het gevoelig is.”
Denk je het voldoende is gelukt om die dialoog te faciliteren in Leiden?
“Dat is moeilijk te zeggen. Het lukte in ieder geval beter dan in het begin. De Universiteit Leiden is zo’n grote organisatie. 34 duizend studenten en zesduizend medewerkers. Met allerlei meningen. Dus het is best complex. Het heeft twee jaar geduurd om daar een goede vorm voor te vinden. Veel te lang, vond ik achteraf.
Eerst organiseerden we panels, dat bleek niet helemaal de juiste vorm. Uiteindelijk werkten world cafés heel goed. Waarbij je veel mensen in een zaal hebt die aan tafels in kleinere groepen met elkaar in gesprek gaan aan de hand van één of twee thema’s. Je hoeft het dan niet met elkaar eens te zijn, maar je laat wel zien dat je er met elkaar over kan praten en dat je er een mening over mag uiten. Ik zou die dialoog ook hier willen faciliteren.”
Op welke manier wil je dat doen? Bij de pro-Palestina protesten van maart dit jaar was het hek van het CvB-kantoor dicht toen betogers jullie wilden spreken. Dat schreeuwt niet echt ‘dialoog’.
“Nou we hebben eerder met best wat mensen gesproken. Maar ik bedoel dus niet alleen dialoog met één groep. Ik doel op dialogen onderling. Het zal even zoeken zijn wat in Delft past. Gelukkig hebben we op de TU veel experts over hoe je goede dialogen voert, bijvoorbeeld bij het Integrity Office.”
Zowel pro-Palestina betogers als Joodse en Israëlische studenten voelen zich onveilig op de campus. Hoe breng je die op een goede manier met elkaar in gesprek? Ze zullen niet allemaal met elkaar willen praten.
“Ja precies, dus dat is zoeken. Hopelijk lukt het om goede begeleiding daarvoor te vinden. Bijvoorbeeld op kleine schaal met kleine tafels met niet de meest heikele stelling, maar wel eentje die interessant genoeg is om mensen naar zo’n bijeenkomst te trekken.
In Leiden besprak de faculteit Geesteswetenschappen bijvoorbeeld de vraag: ‘zijn er taboes binnen de universiteit? Terwijl de faculteit Rechtsgeleerdheid koos voor: ‘zijn er grenzen aan het demonstratierecht?’ Daarmee kom je inhoudelijk dicht bij het thema, zonder dat de boel meteen op hoogspanning staat.”
En in een interview met het Leidsch Dagblad zei je eerder dat je nooit een kopie van je voorganger moet willen zijn. Wat wil jij anders doen dan Tim van der Hagen?
“Ik ben gewoon iemand anders en we zijn een ander college van bestuur. Niet alleen als persoon, maar ook in hoe de taken zijn verdeeld. Tim had immers de dubbelrol van rector magnificus en collegevoorzitter, terwijl die rollen nu weer uit elkaar getrokken zijn.
Ook mijn onderwerpen zijn anders, ik combineer een deel van Tims portefeuille met onderwerpen van Hans Hellendoorn, de tijdelijke vervanger van vicerector magnificus Rob Mudde. Dus ik wil niet suggereren dat mijn voorgangers iets verkeerd hebben gedaan.”
Iets anders willen doen hoeft dat niet persé kritiek te zijn. Bovendien lijkt het mij een nadrukkelijke keuze om voor het einde van je Leidse termijn terug te gaan naar de TU Delft. Dan heb je toch een bepaald idee over wat je wilt gaan doen?
“In je eentje voor zo’n grote organisatie iets nieuws verzinnen? Dat zou ik niet meteen doen. Maar op het gebied van diversiteit en het percentage vrouwen kan het zeker beter. Het is immers wetenschappelijk bewezen dat meer diversiteit betere resultaten oplevert.
We hebben een mooi equity, diversity and inclusion-beleid vastgesteld eind vorig jaar. Daar moeten nu implementatieplannen voor komen. Ik wil met het team goed kijken hoe je plannen maakt die je écht kunt uitvoeren.”
Hoe zorg je dat het beleid ook effectief is?
“Je ziet verschillen tussen faculteiten en diensten. Dus daar moet je recht aan doen en per plek kijken met elkaar wat de grootste uitdagingen zijn. We hebben nu verschillende groepen en vijftien pathways gedefinieerd. We moeten daar – wederom met elkaar – prioriteiten in kiezen want je kunt niet alle vijftien dingen in één jaar fixen. En dat vervolgens in de tijd zetten, waarbij er per faculteit en dienst ruimte blijft om te doen wat er daar nodig is. Dan is er nog het percentage vrouwelijke hoogleraren.”
Ja dat is niet best. Vorig jaar bleek de TU Delft niet alleen het slechtst te scoren van alle universiteiten maar bleek het percentage ook achteruit te zijn gegaan.
“Klopt, dat is helemaal niet best. Dus hoe halen we ons target van 25 procent in 2030? Je kunt niet over vijf jaar opeens concluderen dat we het wéér niet hebben gehaald dus we zijn nu goed aan het kijken wat het percentage precies betekent. Hoe ziet het eruit per faculteit? Wat is daar haalbaar?
Vervolgens moeten we kijken naar wat we in het systeem moeten veranderen om het voor elkaar te krijgen. Misschien een ander soort sollicitatiegesprekken of anti-biastrainingen. Tot slot moet je jaarlijks kijken naar hoeveel vrouwen er zijn aangenomen of bevorderd en hoe het met het percentage gaat.”
Maar in hoeverre is dat anders dan wat er de afgelopen jaren is gebeurd?
“Ik denk dat het een tandje sterker kan. Het is niet totaal anders want het speelt al lang en er werd natuurlijk jaarlijks naar de resultaten gekeken. Maar we willen nu kijken wat betekent het qua percentage voor verschillende faculteiten.
Sommige faculteiten zijn er al erg mee bezig, terwijl bij andere er nog een schepje bovenop kan. Dus goed monitoren en er een goed systeem omheen hebben. En misschien ook proactief zoeken naar vrouwen.”
Proactief zoeken naar vrouwen valt onder ‘dingen anders doen’ dan Tim van der Hagen. Hij legde bij zijn afscheidsinterview nadruk op het aannemen van mensen via eigen netwerken die passen bij de cultuur van de TU Delft.
Lachend: “Dat is nou precies het issue. Dat mensen, ook onderzoekers, hun evenbeeld aannemen. Ze zijn het meest enthousiast over mensen die op hen lijken. Dus als er meer mannen zijn die belangrijke posities hebben, komen er automatisch meer mannen bovendrijven. Dat is gewoon aangetoond. Het is tegelijkertijd niet zo dat vrouwen unbiased zijn. Het zit in ons allemaal.”
Je bent zelf net genomineerd als Topvrouw van het Jaar, samen met Philips-CFO Charlotte Hanneman en Sue Preenen, procureur-generaal bij het Openbaar Ministerie. Hoe voelt het om in zo’n rijtje thuis te horen?
“Ik ben natuurlijk blij met de nominatie en trots om tussen zulke krachtige vrouwen, maar vooral boegbeelden te staan. Ik ben mijzelf erg bewust van en dankbaar voor de kansen die ik heb gekregen. Ik had een sterke moeder en oma als voorbeeld, wat mij heeft gesterkt om als eerste in onze familie te gaan studeren. Zij gaven mij het advies om vooral te doen wat ik belangrijk vind.
Dat is ook precies wat ik zelf wil zijn voor (jonge) vrouwen, in het bijzonder zij die graag impact willen maken met behulp van technologie en een eigen stijl daarin willen ontwikkelen. Deze nominatie helpt daarbij enorm.”
Grote dossiers op gebied van sociale onveiligheid
In haar tijd als (vice) rector magnificus aan de universiteit Leiden kreeg Bijl te maken met grote dossiers op het gebied van sociale onveiligheid die veel media-aandacht trokken.
Eén daarvan is sterrenkundige Tim de Zeeuw, die door de universiteit Leiden op non-actief werd gesteld ‘ernstig ongewenst gedrag’, waaronder machtsmisbruik, genderdiscriminatie, kleineren in het openbaar en ongewenst lichamelijk contact. Hij mocht niet meer terugkeren naar de Leidse universiteit.
De andere wordt gevormd door het archeologenkoppel Corinne Hofman en Menno Hoogland. De Universiteit Leiden begon een ontslagprocedure tegen Hofman nadat zij en haar man volgens een rapport schuldig waren aan ‘langdurig ongewenst en veelal grensoverschrijdend gedrag’ en het schenden van wetenschappelijke integriteit.
Het echtpaar ging in het verweer, waarna een Amsterdamse kantonrechter in augustus 2025 bepaalde dat grensoverschrijdend gedrag weliswaar aannemelijk was, maar dat de universiteit Hofman niet mocht ontslaan.
In Leiden is net als op de TU Delft behoorlijk veel gebeurd op het gebied van sociale veiligheid. Wat heb je daarvan geleerd?
“Ik ga niet over specifieke zaken praten, maar sociale onveiligheid speelt in veel organisaties. Ik heb verschillende dingen geleerd. Ten eerste dat je heel goed moet kijken naar je wetenschapssysteem. Je ziet soms enorme machtsconcentraties doordat wetenschappers zoveel beurzen binnenhalen of zo bekend zijn dat ze niet alleen over benoemingen binnen je eigen universiteit maar eigenlijk over benoemingen wereldwijd gaan. Dat maakt anderen die daarvan afhankelijk zijn, echt kwetsbaar.
Het tweede wat ik heb geleerd, is hoe belangrijk het is om zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek te zijn over allerlei patronen en interacties tussen mensen. We zijn zo’n grote organisatie dus er gaat wel eens iets mis met mensen. Dus praat met elkaar en zoek hulp in de vorm van mediation, HR of een meldpunt als je er samen niet uitkomt. Wacht niet dertig jaar totdat het een heleboel slachtoffers heeft gemaakt. Want niet elke vorm van sociale onveiligheid gebeurt bewust.”
Leg je daarmee niet te veel verantwoordelijkheid bij het slachtoffer? De inspectie zei onlangs dat mensen nog steeds bang zijn om hun mening te geven. Hoe doorbreek je dat?
“Wat betreft dat eerste moet je aan beide kanten iets doen. Je moet zeker niet alles bij het slachtoffer neerleggen, maar je kunt het ook niet alleen bij het systeem neerleggen. Dus het is empoweren van degene die zich niet durft uit te spreken, bijvoorbeeld door middel van trainingen. Die niet alleen zijn gericht op mensen laag in de hiërarchie, maar ook op leidinggevenden zodat die zich bewuster zijn van wat er mis kan gaan.
Voor het doorbreken van die angst kun je denk ik meerdere dingen doen. Door bijvoorbeeld uit te stralen dat we het belangrijk vinden dat mensen zich uitspreken. Ook hier moet je tegelijkertijd aan de leidinggevende kant bezig gaan. En hen helpen het gesprek aan te gaan met mensen in hun sectie zoals promovendi.”
Je hebt nu een paar keer vergaderd met de ondernemingsraad en de studentenraad. Zie je grote verschillen met de universiteitsraad in Leiden?
“In Leiden zie je de faculteit Geesteswetenschappen veel terug in de raad. Die zijn enorm reflectief en nemen een bepaald soort maatschappijgevoel met zich mee. Hier in Delft vind ik de dynamiek heel prettig. De raadsleden zijn kritisch, ze komen zelf met punten, reflecteren op waar we mee bezig zijn. Dat is heel waardevol.
Studenten en medewerkers zitten in Leiden samen in één raad, waardoor de eerste groep soms overvleugeld wordt door de andere. Hier doe je de grootste gesprekken juist los, per raad. Daardoor heb je meer tijd om het perspectief van studenten en medewerkers afzonderlijk uit te diepen en daar met hen over te spreken. Het is nog een beetje vroeg want ik heb pas een paar sessies achter de rug, maar ik ben enthousiast.”
Je bent zelf eerste generatiestudent geweest, vertelde je. De TU Delft zegt die met Campus Rotterdam te willen bereiken. Heb jij tips voor studenten die de eerste van hun familie zijn die gaan studeren?
“Laat je niet te veel intimideren en stel veel vragen. Je hebt soms studenten wiens ouders hebben gestudeerd of die enorme banen hebben. Die studenten doen dan minors of masters aan gerenommeerde universiteiten in het buitenland of beginnen aan geweldige stages.
Ik dacht wel eens: ‘wat doe ik fout dat ik dat niet heb?’ Maar die studenten bleken dan ouders te hebben met een enorm netwerk. Dus dat heeft er dan niet mee te maken dat het een heel slimme student is, maar het is gewoon iemand die snapt hoe een universiteit werkt en zijn of haar ouders als kruiwagen heeft. Dus probeer je daar niet te veel door uit het veld te laten slaan. Zoek je eigen pad.”
Dit is een (licht aangepast) artikel van mediapartner Delta